Step-by-Step methode

Uit Wiki HOVUmc
Ga naar: navigatie, zoeken

Een werkvorm voor het interactief bespreken van acute casuïstiek

Acute problemen zijn relatief zeldzaam in het dagelijks werk van de huisarts. Een uitzondering hierop vormt het zelfstandig dienst doen in grootschalige dienststructuren.

Het is zelden mogelijk voor en aios om gedurende de Huisartsopleiding met alle soorten acute problemen, die zich kunnen voordoen voldoende ervaring op te doen.Het is daarom van belang om de ervaringen, die individuele aios gedurende de opleiding opdoen met acute problematiek op zo’n wijze te bespreken, dat deze ook voor de andere aios tot een leerervaring wordt.

De Step-by-Step Methode, ook wel incidentmethode genoemd is hiervoor een beproefde en effectieve werkvorm. Het rendement voor de deelnemers is doorgaans het hoogst bij spoedgevallen, waarbij er meerdere diagnostische- of beleidsopties voor de gepresenteerde spoedeisende klacht zijn. De methode leent zich tevens voor het bespreken van andere werkervaringen.

Globale beschrijving van de methode

De essentie is, dat er in het als verantwoordelijk dokter doorlopen van het proces tussen de melding en het uitvoeren van het gekozen beleid bij een spoedgeval er op verschillende momenten beslissingen moeten worden genomen.

De inbrenger (de aios/huisarts, die het spoedgeval heeft meegemaakt) vertelt de casus stukje bij beetje, waarbij er steeds een STOP in het verhaal gemaakt wordt vlak vóór er een beslissing genomen wordt.

Bij elke stop worden de overige cursisten (aios/huisartsen) uitgenodigd om hun denkproces over de situatie te expliciteren en eventuele aanvullende vragen te stellen aan de inbrenger, waarna zij uitgenodigd worden te vertellen wat zij in de beschreven situatie feitelijk zouden hebben gedaan.

Daarop vertelt de inbrenger wat zij in het echt gedaan heeft en vertelt dan weer het volgende stukje van de casus tot aan het volgende relevante beslismoment, etc.

Suggesties voor de stopmomenten en mogelijke vragen: Er zijn hiervoor meerdere mogelijkheden, die ook bepaald worden door de soort casus. Dit is een voorbeeld. De vragen, die het best zicht geven op de competenties van de deelnemers zijn vet en schuin gemarkeerd.

1. Direct na de melding

De inbrenger vertelt in welke situatie de melding hem/haar bereikte en de letterlijke tekst van de melding STOP vragen aan de groep: ‘waar denk je aan’? ‘wat zou dit kunnen zijn’? wat zou je nu doen? (nog aanvullende vragen stellen door telefoon? direct gaan? ambulance bellen? etc.)

2. Na de eerste blik op de patient

De inbrenger vertelt hoe hij/zij met de melding is omgegaan, hoe het contact met de patient feitelijk gerealiseerd is en hoe de patient en diens omgeving eruit ziet STOP vragen aan de groep: ‘zijn er nog aanvullende vragen over wat er eventueel te zien is’? ‘verandert wat er te zien is je aanvankelijke idee van na de melding’? ‘wat is nu je DD’? En vervolgens: ‘wat zou je nu zelf gaan vragen en/of onderzoeken’?

3. Na anamnese en onderzoek

De inbrenger vertelt wat hij/zij feitelijk gevraagd en onderzocht heeft en de resultaten hiervan STOP vragen aan de groep: ‘mis je nog iets aan vragen of onderzoek’? ‘wat is nu je idee over wat er waarschijnlijk aan de hand is’? ‘en hoe ziet je DD eruit’? en ‘wat zou nu jóuw beleid zijn, wat zou je doen’?

De inbrenger vertelt vervolgens wat er in het echt gebeurd is en de afloop.

Ter afronding kunnen de docent en/of de inbrenger feedback geven op de in het proces gemaakte keuzes van de deelnemers en eventueel ook een toelichting geven op de ‘state-of-the-art’ ten aanzien van het hanteren van de beschreven acute aandoening.