Leerlijn korte episode zorg

Uit Wiki HOVUmc
Ga naar: navigatie, zoeken
Leerlijn korte episode zorg

Leerlijnhouder
Vacant

Leerlijnmedewerkers
dr. Yeun Ying Wong
huisarts

Contact
y.wong@vumc.nl

Inleiding

Korte episode zorg omvat het grootste deel van de zorg die door huisartsen wordt geleverd. Een medische zorgvraag valt onder de korte episode zorg als de huisarts de diagnostiek en de behandeling kan afronden binnen één tot maximaal drie consulten.

In deze leerlijn worden niet alle negen KBA’s Korte episode zorg uitgewerkt, omdat veel onderwerpen reeds in andere leerlijnen aan de orde komen. In deze leerlijn korte episode zorg ligt de focus op:

  • de kennis van de epidemiologie van de belangrijkste aandoeningen waar de huisarts mee te maken krijgt
  • ziektescripts
  • pluis/niet-pluis gevoel
  • klinisch redeneren en het kunnen opstellen van adequate werkhypotheses
  • het nut van aanvullende diagnostiek
  • verslaglegging, registreren en coderen
  • het stimuleren van zelfzorg en zelfmanagement
  • het verwijzen naar evidence-based voorlichtings- en adviesmateriaal voor arts en patient (bijv. Thuisarts.nl)

Voor arts-patiënt communicatie, waaronder het verhelderen van de hulpvraag, de anamnese, gezamenlijke besluitvorming (shared decision making), evalueren en adviseren, etc., verwijzen we naar de leerlijn APC. Ook voor de onderwerpen diversiteit, psychische klachten en aandoeningen, lichamelijk onderzoek, therapeutische injecties en kleine chirurgische verrichtingen verwijzen we naar de leerlijnen waar deze onderwerpen specifiek aan de orde komen.

Bouwstenen

Deelthema 1: Voert een consult

1. Schat de urgentie van de hulpvraag in en bepaalt de soort verrichting die noodzakelijk is (telefonisch consult, consult of visite).. Competenties
  • Maakt een inschatting van de hulpvraag en het soort verrichting of consult dat het gaat worden (tijdens het consult door de huisarts zelf of - voorafgaand aan het consult- door de assistente).
  • Stelt vast dat het gaat om een korte episode klacht en maakt daarbij onderscheid ten opzichte van acute en chronische zorg.
  • Doet dit op basis van kennis van de epidemiologie en ziektescripts/ziektepatronen.
  • In het geval van een visite: gaat goed voorbereid op visite (bepaalt welke spullen nodig zijn), stemt vertrek af met overige praktijkmedewerkers (organisatie, bereikbaar zijn).
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie
  3. Organiseren
  4. Kennis en wetenschap
2. Verheldert de hulpvraag, neemt de anamnese af en voert onderzoek uit. Competenties
  • Verheldert de hulpvraag.
  • Neemt de anamnese af, gericht op de tractus - of deel daarvan - waar de hulpvraag of klacht over gaat.
  • Voert lichamelijk onderzoek uit.
  • Op basis van het bovenstaande: stelt een diagnose of komt tot een aangescherpte ‘werkhypothese’.
  • Besluit of aanvullende diagnostiek nodig is of dat naar ‘behandeling en beleid’ wordt doorgegaan.
  • Toont respect en neemt de klacht serieus, kent eigen cognities.
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie
  3. Professionaliteit
3. Voert aanvullende diagnostiek uit. Competenties
  • Voert aanvullende diagnostiek uit in de eigen praktijk (bv urine onderzoek; ECG, CRP en het nemen van een biopt).
  • Laat aanvullende diagnostiek uitvoeren buiten de praktijk, maar wel in eigen beheer in ziekenhuis, diagnostisch centrum of huisartsenlab (bv röntgen, echo, uitgebreid lab).
  • Vraagt gemotiveerd aanvullende diagnostiek aan (gebruikmakend van NHG-standaarden en alleen als het beleid hierdoor nog beïnvloed kan worden (kostenbewust).
  1. Medisch handelen
  2. Maatschappelijk handelen
  3. Kennis en wetenschap
4. Stelt de behandeling en het beleid in, informeert en adviseert. Competenties
  • Stelt de prognose en therapie vast conform de richtlijnen.
  • Voert therapeutische verrichtingen uit zoals therapeutische injecties en kleine chirurgische verrichtingen.
  • Geeft begrijpelijke uitleg en voorlichting.
  • Maakt gezamenlijk met de patiënt een gemotiveerde keuze uit de te volgen aanbevelingen (shared decision making).
  • Stimuleert zelfmanagement als onderdeel van de behandeling en zorgt voor de randvoorwaarden.
  • Stimuleert zelfzorg en begeleid hierbij (kennis over zelfzorg, bijv. middelen, betrouwbare websites).
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie
5. Registreert en codeert Competenties
  • Legt gegevens vast (verslaglegging in HIS (ADEPD), ICPC coderen, bijhouden van de probleemlijst), om: continuïteit van zorg te bevorderen; informatie toegankelijk te maken voor onderzoek, statistiek en om eigen geleverde zorg te evalueren.
  1. Organiseren
  2. Kennis en wetenschap
6. Sluit de episode af door de behandeling en het beleid te evalueren. Competenties
  • Is kort en bondig over gemaakte afspraken.
  • Evalueert de behandeling en het beleid.
  • Past het beleid zo nodig aan (shared decision-making).
  • Bespreekt de uitslagen van aanvullend lab onderzoek of röntgen.
  • Evalueert niet-medicamenteuze adviezen.
  • Bespreekt de prognose en verwachtingen.
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie
  3. Professionaliteit
|}

-

Deelthema 2: Voert een telefonisch of e-health consult

7. Neemt de anamnese af aan de telefoon. Competenties
  • Maakt duidelijk aan patiënten waar een telefonisch of e-health consult wel of niet geschikt voor is (organisatie, KNMG-richtlijn).
  • Organiseert telefonische en e-health consulten (inplannen, tijd voor reserveren).
  • Voert dezelfde beroepsactiviteiten uit als bij een regulier consult (zie onder 1 t/m 4), maar met twee beperkingen: geen mogelijkheid tot onderzoek en aanvullend onderzoek en uitvallen van non-verbale communicatie. Dit vraagt om vaker samenvatten, en vaker controleren of de patiënt het heeft begrepen.
  • Besluit of het bij een telefonisch consult blijft, of dat de patiënt wordt uitgenodigd voor een consult op praktijk, of dat een visite noodzakelijk is.
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie

-

8. Geeft telefonisch voorlichting en advies. Competenties
  • Geeft telefonisch voorlichting en advies – in behapbare porties- en checkt of dit begrepen is en de patiënt dit uit kan voeren.
  • Verwijst naar evidence-based voorlichtings- en adviesmateriaal voor arts en patiënt (bv. Thuisarts.nl).
  • Draagt zorg voor vervolgbeleid.
  • Spreekt duidelijk af wanneer de patiënt opnieuw contact moet opnemen.
  • Werkt hierbij samen met de assistente, spreekt een taakverdeling af.
  1. Medisch handelen
  2. Communicatie
  3. Organiseren

-

Deelthema 3: Superviseert de assistente

9. Superviseert (telefonische) consulten van de assistente en geeft feedback. Competenties
  • Superviseert tijdig de zelfzorgadviezen van de assistente.
  • Geeft gericht feedback op door de assistente afgehandelde consulten. Het kan hier gaan om volledig zelfstandig afgehandelde consulten door de assistente (bijv. uwi, lage rugpijn, griep) of consulten die door de assistente worden afgehandeld na overleg met de aios/opleider.
  • Organiseert de supervisie van de assistente. Aspecten van belang: korte lijnen/ laagdrempelige beschikbaarheid, heldere communicatie, samenwerking.
  • Weet wat de assistente kan en niet kan. Maakt afspraken met de assistente over niveau van zelfstandig afhandelen van telefonische consulten (delegeren van taken).
  • Organiseert en plant de supervisie van de telefonische consulten.
  1. Communicatie
  2. Samenwerken
  3. Organiseren
  4. Kennis en wetenschap

-

Overige leerlijnen

Kort Spoed Chron Ouderen Kind Psych SOLK Pall Preventie Praktijk


Medisch handelen Communicatie Maatsch. handelen Wetenschap Professionaliteit Interculturaliteit
Korte episode zorg
Spoedeisende zorg
Chronische zorg
Complexe ouderenzorg
Zorg voor het kind
Psychische klachten
SOLK
Palliatieve zorg
Preventie
Praktijkmanagement
Medisch handelen
Communicatie
Maatschappelijk handelen
Wetenschap
Professionaliteit
Interculturaliteit